Prof. mr. R.H. Maatman / De prudent person-regel, zorgplichten en het nieuwe pensioencontract
De regering Rutte III wil het pensioenstelsel hervormen, zo blijkt uit het regeerakkoord. Als de wetgever die plannen uitvoert, wordt de premieovereenkomst (dc) het belangrijkste pensioencontract. Denkbaar is dat de wetgever de overstap van uitkeringsovereenkomst (db) naar premieovereenkomst dwingend voorschrijft. In dat geval heeft de deelnemer geen keus: toekomstige pensioenaanspraken worden opgebouwd onder de pensioenovereenkomst en bestaande aanspraken onder een uitkeringsovereenkomst worden van rechtswege gewijzigd in rechten onder het nieuwe contract. Een wijziging van rechtswege lijkt echter niet waarschijnlijk. Vermoedelijk zal de wetgever de overstap slechts willen faciliteren. Mogelijk vereist de toetreding tot de premieovereenkomst dat de deelnemer bewust daarvoor kiest. Niet kiezen (vasthouden aan bestaande rechten onder de uitkeringsovereenkomst) is ook een keuze en kan zeer nadelig zijn als de overgrote meerderheid wél opteert voor het nieuwe contract. Zonder kritieke massa is efficiënt pensioenverzekeren en -beleggen niet mogelijk. Een overstap naar de premieovereenkomst impliceert de toepassing van de Wet verbeterde premieregeling (“Wvp”). De Wvp bevat een aantal ‘opties’ die, indien van toepassing, opnieuw keuzes vereisen van deelnemers. De nakoming van zorgplichten door pensioenuitvoerders moet eraan bijdragen dat pensioendeelnemers in staat zijn tot ‘verstandig’ kiezen. De kans is echter groot dat er later pensioendeelnemers zullen zijn die verzuchten: “Had ik het maar geweten…”. Zij kunnen trachten om de gemiste resultaten op anderen te verhalen. Hun claims kunnen het vertrouwen in het pensioenstelsel ondermijnen. De wetgever doet er goed aan dit risico in te dammen. Dat begint met de erkenning dat pensioen- en vermogensbeheer specialistenwerk is. De wetgever zou dit moeten opdragen aan de pensioenuitvoerder die met inachtneming van de prudent person-regel belegt voor rekening van de deelnemers. Tevens zou de wetgever de nakoming van zorgplichten kunnen protocolleren en bepalen dat er geen plaats is voor aanvullende of afwijkende zorgplichten op grond van het burgerlijk recht. Wijziging van de Wvp verdient aanbeveling.
(Ondernemingsrecht 2017/135)
(René Maatman is hoogleraar vermogensbeheer en pensioenvraagstukken verbonden aan het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit en advocaat te Amsterdam.)

Prof. dr. S. Perrick / Aandelen in de BV en NV en de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen
Op 1 januari 2018 zal in werking treden de Wet tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken. Een belangrijk gevolg daarvan zal zijn dat onder vigeur van de nieuwe wettelijke regeling er in beginsel ten minste drie vermogens zullen zijn: een gemeenschappelijk vermogen en het overig vermogen van ieder der echtgenoten. Het zal daardoor vaker voorkomen dat aandelen in een BV of NV tot het overig vermogen van een echtgenoot behoren. Dientengevolge zal vaker de vraag moeten worden beantwoord of uitkeringen op aandelen, ook indien die niet als vruchten kunnen worden aangemerkt, tot het overig of gemeenschappelijk vermogen behoren. Bij de beantwoording van de vraag tot welk vermogen aandelen behoren die worden verkregen door gebruikmaking van voorkeurs- of reflectierecht, is beslissend in welke mate het op de aandelen te storten bedrag onderscheidenlijk de koopsom ten laste van het overig vermogen van een echtgenoot komt. De auteur besteedt ook aandacht aan een novum in de wettelijke regeling dat (geblokkeerde) aandelen in een BV of NV worden uitgewonnen voor een privéschuld van een echtgenoot. De wettekst en de toelichting zullen de wetstoepasser regelmatig met lege handen laten staan.
Ook bespreekt auteur de overgangsregeling kritisch. De wet is gedeeltelijk van toepassing op een gemeenschap van goederen ontstaan vóór 1 januari 2018.
(Ondernemingsrecht 2017/136)
(Steven Perrick is advocaat te Amsterdam.)

Mr. dr. M.Y. Nethe / Art. 2:23c lid 2 BW herbergt een tweede verlengingsgrond
In het Rambaldo/Rabobank-arrest oordeelt de Hoge Raad dat de rechtsvordering van de schuldeiser op een hoofdschuldenaar/rechtspersoon die inmiddels is opgehouden te bestaan, niet kan verjaren in het tijdvak waarin de hoofdschuldenaar is opgehouden te bestaan omdat de schuldeiser zich kan beroepen op een verlengingsgrond. Hierdoor is stuiting door de schuldeiser van de verjaring van zijn rechtsvordering op de hoofdschuldenaar/rechtspersoon niet meer nodig. Het gaat om een verlengingsgrond die gelezen moet worden in art. 2:23c lid 2 BW. Volgens de auteur creëert de Hoge Raad een tweede verlengingsgrond. Om dit resultaat te bereiken, rekt de Hoge Raad het tweede lid van art. 2:23c BW op. De vraag komt op onder welke omstandigheden een beroep op de tweede verlengingsgrond naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal zijn.
(Ondernemingsrecht 2017/137)
(Miriam Nethe is verbonden aan de sectie Handelsrecht en Arbeidsrecht, Rijksuniversiteit Groningen.)

Prof. mr. drs. T.M.C. Arons / Verkenning van de internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht bij geschillen over de aansprakelijkheid van bestuurders
In samenhang met de arresten van het HvJ EU in de zaken ÖFAB en OTP Bank beantwoordt het arrest in de zaak Holterman Ferho/Spies de vraag welke gerechten onder de Brussel l-bis verordening bevoegd zijn bij geschillen over bestuurdersaansprakelijkheid. Als de bestuurder onder gezag van de vennootschap staat (c.q. werknemer is), is het gerecht van de woonplaats van de bestuurder exclusief bevoegd. In andere gevallen is het onderscheid tussen vrijwillig en niet vrijwillige aangegane verbintenissen cruciaal. Aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW vloeit voort uit een vrijwillig aangegane verbintenis tussen bestuurder en de vennootschap en dus uit een overeenkomst. Het gerecht van de plaats van uitvoering is bevoegd. Vorderingen tegen bestuurders die zijn gebaseerd op een wettelijke aansprakelijkheid jegens een derde vloeien voort uit een niet vrijwillig aangegane verbintenis. Zowel het gerecht van de plaats waar het onrechtmatig handelen plaatsvindt (Handlungsort) als de plaats waar de schade rechtstreeks is geleden (Erfolgsort) zijn bevoegd.
De verwijzingsregels voor het toepasselijk recht zijn opgenomen in Boek 10 BW. Titel 8 regelt dat de typisch vennootschapsrechtelijke onderwerpen door het incorporatierecht worden beheerst. Hieronder is in ieder geval begrepen de aansprakelijkheid van bestuurders jegens de vennootschap. Ook de bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatig handelen bij de taakvervulling als bestuurder zowel jegens aandeelhouders (NOM/Willemsen) als vennootschapscrediteuren (Ontvanger/Roelofsen) wordt beheerst door het incorporatierecht. In Spaanse Villa-gevallen waarbij het handelen geen verband houdt met de bestuurlijke taakvervulling wordt de aansprakelijkheid beheerst door het recht dat op de onrechtmatige daad van toepassing is. Op grond van art. 4 lid 1 Rome II-verordeningis dit het recht van het land waar de schade zich voordoet.
(Ondernemingsrecht 2017/138)
(Tomas Arons is hoogleraar Financieel Recht en Collectief Verhaalsrecht aan de Universiteit Utrecht, tevens is hij als juridisch adviseur verbonden aan de Vereniging van Effectenbezitters.)