Bullshit jobs

De titel van deze column is ontleend aan het gelijknamige boek van de Amerikaanse cultureel antropoloog David Graeber. Graeber beschrijft en analyseert in dit boek het verschijnsel van banen die schijnbaar geen enkel intrinsiek nut hebben. In de inleiding beschrijft hij het weerzien met een middelbare schoolvriend die na semi-succesvolle omzwervingen als dichter en zanger in een indie rock band alsnog rechten gaat studeren. Hoe het verder ging: “Now he's a corporate lawyer working in a prominent New York law firm. He was the first to admit that his job was utterly meaningless, contributed nothing to the world, and, in his own estimation, should not really exist.” (David Graeber, Bullshit jobs, a theory: the rise of pointless work and what we can do about it, London: Allen Lane 2018, p. xviii.)

Het geeft te denken dat Graeber juist een ondernemingsrechtjurist – één van ons dus – opvoert als voorbeeld van een ‘bullshit job’. Toegegeven, Graeber bevindt zich qua ideeën duidelijk aan de linkerzijde van het ideologisch spectrum, maar het is te makkelijk om zijn observatie op alleen die grond af te doen. Een meer inhoudelijke verdediging zou kunnen zijn dat het ondernemingsrecht de juridische infrastructuur biedt voor de private ondernemingsactiviteiten die noodzakelijk zijn voor economische en maatschappelijke welvaart en dat ondernemingsrechtjuristen essentiële actoren zijn voor een goede werking van die infrastructuur. Vrij vertaald komt deze redenering erop neer dat het ondernemingsrecht een waterleiding is en een ondernemingsrechtjurist een loodgieter. Ik vraag me af of dit beeld voor iedereen de honger naar maatschappelijke erkenning zal kunnen stillen.

Een andere invalshoek is om te benadrukken dat we ons in het ondernemingsrecht met grote thema's bezighouden zoals het concept van het vennootschappelijk belang, bestuurdersaansprakelijkheid en de tegenstrijdig-belangproblematiek die ook, althans dat zeggen we, van grote maatschappelijke betekenis zijn. We kunnen hier eindeloos over nadenken en veel moois over schrijven. Toch, tegenover werken echt grote thema's, zelfs als het toegankelijk geschreven boeken zijn zoals The Idea of Justice van Amartya Sen (Amartya Sen, The Idea of Justice, Boston: Harvard University Press 2009), The Rule of Law van Tom Bingham (Tom Bingham, The Rule of Law, London: Penguin Press 2011) en het meeslepende East West Street van Philippe Sands (Philippe Sands, East West Street, London: Orion Publishing 2017) over de parallelle ontwikkeling van de concepten genocide en misdaden tegen de mensheid, steken onze doorwrochte ondernemingsrechtelijke hoogstandjes vaak wel wat schril af. ‘Onze’ grote thema's zijn vooral groot omdat we daar zelf zoveel mee bezig zijn.

Hier speelt ook de wijze waarop de ondernemingsrechtswetenschap tegenwoordig wordt beoefend een rol. Als gevolg van een toegenomen inhoudelijke complexiteit en de druk op specialisatie in expertise is het vakgebied gefragmenteerd geraakt. We richten ons niet meer op de grote lijnen, maar spitten in plaats daarvan los van elkaar kleine postzegels grond eindeloos om. Deze tendens is ook terug te zien in de vaak zeer specifieke en afgebakende onderzoeksopdrachten waaraan promovendi worden gezet. Een ander effect van deze specialisatietrend is dat onderwerpen vaak enkel vanuit het positieve recht worden belicht (dat is immers al ingewikkeld genoeg) en dat in de regel weinig over de grenzen van het eigen vakgebied wordt heengekeken tenzij dit op een methodologisch aanvaarde ‘law & …’ manier gebeurt.

De ironie is dat het ondernemingsrecht door deze wijze van beoefening juist verder verwijderd raakt van de maatschappelijke relevantie van het vak waarop velen zich ongetwijfeld willen laten voorstaan. Ondernemingsrecht is geen laboratoriumwetenschap, het is onlosmakelijk gebonden aan een economische, politieke, culturele en maatschappelijke context die van tijd tot tijd ook nog eens aanzienlijk verandert. Observaties over ondernemingsrechtelijke vraagstukken zijn dan ook weinig richtinggevend als die niet tegen diezelfde context worden afgezet. Een voorbeeld: studies zoals het magistrale Crashed van de Britse historicus Adam Tooze (Adam Tooze, Crashed – how a decade of financial crises changed the world, London: Allen Lane 2018) over de achtergrond en het verloop van de recente financiële crisis geven waardevolle inzichten in deze context en de ontwikkelingen daarin die ook – of eigenlijk: juist – voor de ontwikkeling van het ondernemingsrecht van belang zijn. Het is tekenend voor de hyperspecialisatie in het recht enerzijds en het gebrek aan geïntegreerde benadering daarvan anderzijds dat dit boek alleen kort besproken is in het Tijdschrift voor pensioenvraagstukken. (P.G. van der Graaff, ‘Boekbespreking: A. Tooze, Crashed – how a decade of financial crises changed the world, London: Allen Lane 2018’, TPV 2019/7.) Hetzelfde geldt voor het feit dat er kennelijk een apart tijdschrift voor pensioenvraagstukken bestaat.

Maakt dit alles de functie van ondernemingsrechtjurist tot een ‘bullshit job’? Ik denk het niet. Het ondernemingsrecht raakt immers aan fundamentele inrichtings- en verdelingsvragen die door de hele linie van economische activiteiten in Nederland en daarbuiten spelen. Bovendien zal iedereen die een keer een winterse dag thuis met een lekkende cv-ketel heeft doorgebracht het belang van een goede loodgieter onderkennen. Met het omspitten van kleine postzegels grond in het ondernemingsrecht is op zichzelf ook niets mis. Met name voor jonge wetenschappers en praktijkjuristen is dit een nuttige didactische ervaring, zo lang op een later moment maar de blik alsnog van de bomen op het bos wordt gericht. Maar toch, ondernemingsrechtjuristen die juist de verbinding opzoeken met de politieke, economische en maatschappelijke dimensies van hun onderwerpen kunnen bij uitstek tot mooie en verhelderende analyses komen. (Een mooi recent voorbeeld is de Rotterdamse oratie van De Jongh. Zie J.M. de Jongh, ‘Twee eeuwen tegenstrijdig belang’, oratie gehouden op 29 maart 2019, Erasmus Law Lectures no. 48, Den Haag: Boom 2019. Een ander mooi voorbeeld is de lichtvoetige beschouwing van Timmerman over 100 jaar rechtsontwikkeling in het ondernemingsrecht. Zie L. Timmerman, 'Het Nederlandse vennootschapsrecht tussen 1918 en 2018, enkele schetsmatige opmerkingen', in: H.J. de Kluiver et al (reds.), 100 jaar Handelsrecht: over heden, toekomst en verleden, jubileumuitgave Vereeniging Handelsrecht 1918-2018, Zutphen: Paris 2018, p. 61-99.) Voor juridische tijdschriften is een rol weggelegd om de blik van hun lezers breed te houden, onder andere door het werven en plaatsen van publicaties uit aanpalende (rechts)gebieden. Het tijdschrift Ondernemingsrecht kan hier bogen op een mooie gecombineerde traditie van haar voorgangers De N.V. en TVVS waarin bijvoorbeeld beschouwingen over de economische aspecten van de oliecrisis van 1973 (A. Heertje, ‘Economische en sociale aspecten van de energie-crisis’, De N.V. 1974, p. 1-3) of over het jaarverslag van DNB (J.H. Derksen, ‘Het verslag van de president van De Nederlandsche Bank over 1973’, De N.V. 1974, p. 95-99) verschenen.

Wat daar ook van zij, mijn stelling zou zijn dat we door meer de verbinding met de overkoepelende maatschappelijke context van het ondernemingsrecht te zoeken van binnenuit de maatschappelijke relevantie van de beoefening van het ondernemingsrecht kunnen vergroten. Uiteraard moeten we daarbij onze taken als loodgieter niet veronachtzamen, maar we hoeven dan voorlopig tenminste geen Tijdschrift voor loodgietersvraagstukken op te richten.

(Ondernemingsrecht 2019/141)

Frans Overkleeft
(Frans Overkleeft is advocaat te Amsterdam.)