Lof van de beknoptheid

Ik las onlangs: “Not so long ago, bigness was the thing… Then small was beautiful…And then, in the new age of technology, even smaller was all: the microchip…A while after that, things are confusingly big again. The flat screen television. The Airbus A380”[1]. We lijken ons heen en weer te bewegen tussen klein en groot. Het intrigeert mij hoe je dingen, zoals wetteksten, beknopt kan maken. Je moet op zoek durven te gaan naar de kern van de problematiek en de moed hebben details terzijde te laten, maar natuurlijk ook over goede redactionele vaardigheden beschikken. Ik houd van klein, maar ik heb toch maar wel een grote tv (voor het voetballen). Het is fascinerend te zien hoe artikel 2:14-2:16 BW de wereldwijd moeilijk geachte materie van nietigheid en vernietiging van besluiten in een paar korte zinnen regelt. Die regeling leidt ertoe dat rechters goede richtsnoeren hebben hoe geschillen over nietigheid en vernietiging van besluiten van een rechtspersoon beoordeeld dienen te worden. Als ik goed ben geïnformeerd, is deze wetstekst te danken aan een bekwame wetgevingsjurist, Mr. D.C. de Die.

Personenvennootschappen zijn een moeilijke materie, onder andere omdat er verschillende rechtsvormen zijn met eigen kenmerken, zoals de maatschap, de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap. Je loopt gemakkelijk in de val van een regeling van een veelheid van rechtsvormen met talrijke daarbij horende specifieke regels. Zoals bekend, zijn er enkele pogingen ondernomen om voor de personenvennootschappen nieuwe wettelijke regels te ontwerpen. Het grappige is dat die pogingen heen en weer bewegen tussen klein en groot.

In 1972 bood Prof. mr. W.C.L. van der Grinten aan de minister van Justitie een ontwerp voor een nieuwe wettelijke regeling van de personenvennootschappen aan. Het ontwerp telde 27 beknopte artikelen. Het ontwerp zat helder in elkaar. Het was, zoals van Van der Grinten te verwachten was, niet dogmatisch. Prof. mr. P. van Schilfgaarde en Mr. A.G. van Solinge schreven erover fraaie preadviezen voor de Vereeniging Handelsrecht. Op 1 november 1974 vond de vergadering over die preadviezen plaats. Wat bij lezing van het verslag van die vergadering opvalt, is dat niemand toen heeft gezegd dat het ontwerp Van der Grinten goed was. Er werd ook niet gezegd dat het slecht was (Van der Grinten woonde de vergadering bij en discussieerde mee). Het lijkt wel of men niet veel zin had om het onderwerp van de personenvennootschappen ter hand te nemen: we hebben genoeg andere problemen. Hierbij moet men bedenken dat toentertijd omvangrijke herzieningen van de wetgeving voor de kapitaalvennootschappen aandacht vroegen. Op het ministerie van Justitie had de invoering van Boek 2 BW (1976) en later van de Boeken 3, 5 en 6 BW (1992) hoge prioriteit. Opmerkelijk is ook dat Van der Grinten, die zijn mening meestal niet onder stoelen of banken stak, nooit een pleidooi heeft gehouden om het werk aan zijn ontwerp nu eens krachtig ter hand te nemen. Wellicht heeft hij gedacht dat hij de personenvennootschappen aan Prof. mr. J.M.M. Maeijer moest overlaten. Deze was inmiddels het Asser-deel over de personenvennootschappen gaan bewerken. Zijn eerste bewerking verscheen in 1989. Mijns inziens was de achilleshiel van het ontwerp dat Van der Grinten rechtsgevolgen wilde blijven verbinden aan het onderscheid tussen beroep (aansprakelijkheid voor gelijke delen) en bedrijf (hoofdelijke aansprakelijkheid). Dat onderscheid was toen al verouderd. Beroepen worden bedrijfsmatig uitgeoefend.

In de tweede helft van de jaren negentig van de vorige eeuw gaat Maeijer aan het werk. Het door hem opgestelde wetsvoorstel 28176 telde 37 artikelen en tijdens de parlementaire behandeling kwamen er nog diverse bij. Het voorstel was uiteindelijk dubbel zo omvangrijk als het ontwerp Van der Grinten. Ter verdediging van Maeijer moet worden opgemerkt dat zijn ontwerp meer onderwerpen, zoalsde omzetting, regelde dan het ontwerp van Van der Grinten. Maeijer liet het onderscheid tussen beroep en bedrijf vallen. In 2011 trok de minister van Veiligheid en Justitie het wetsvoorstel in. Het ontwerp was enigszins dogmatisch (dat was de stijl van Maeijer), bevatte vrij veel dwingend recht en was door zijn detaillering soms wat knellend en daardoor weinig flexibel. Dat paste slecht bij een tijdperk waarin met succes het BV-recht werd versoepeld en flexibeler werd gemaakt.

In 2016 publiceerde de werkgroep Van Olffen een nieuw ontwerp. Het telde 41 artikelen. Het neigt naar “groot”. Het is, evenals de ontwerpen Van der Grinten en Maeijer, een knap werkstuk. Er zijn vele wegen die naar Rome leiden. Twee dingen hebben mij enigszins verrast: het onderscheid tussen beroep en bedrijf met daaraan verbonden rechtsgevolgen werd weer relevant gemaakt. Daarnaast kent het ontwerp zeven soorten personenvennootschappen. Dat oogt niet zo goed.

Dit nummer van Ondernemingsrecht is gewijd aan het ambtelijk voorontwerp datmoet leiden tot de Wet modernisering personenvennootschappen. Ik heb sympathie voor dit Voorontwerp. Het heeft het type beknoptheid dat het ontwerp van Van der Grinten kenmerkt. Het telt slechts 22 artikelen, maar het regelt bijvoorbeeld (nog) niet de omzetting. Het onderscheid tussen beroep en bedrijf wordt terecht in de ban gedaan. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten wordt omgevormd tot een subsidiaire aansprakelijkheid. Dat is ook een goed idee. Het Voorontwerp kent slechts drie typen personenvennootschappen. Dat is mooi simpel. Is er dan geen bananenschil waarover de ambtenaren van het ministerie van Justitie en Veiligheid kunnen uitglijden? Ja, die is er, denk ik. Dat is het idee van rechtspersoonlijkheid. Die hoedanigheid verwerft de personenvennootschap zonder enige formaliteit (enigszins in de stijl van artikel 7.13.1.2 lid 2 van het ontwerp van Van der Grinten). Dat is een probleem omdat niet altijd even duidelijk is of een bepaalde betrekking tussen (rechts)personen een maatschap of vennootschap onder firma is. Dat kan tot onduidelijkheid in de rechtspraktijk leiden. Is er wel of geen rechtspersoon? Zou voor het verwerven van rechtspersoonlijkheid geen inschrijving in het handelsregister moeten worden vereist? Het is een lastig dilemma: er gaan dan wel weer meer varianten personenvennootschappen ontstaan (ingeschreven en niet ingeschreven). Het handelsregister moet misschien anders gaan werken. We kennen tot dusverre nauwelijks inschrijvingen als constitutief vereiste. Vergen die meer controle door de Kamer van Koophandel? Wellicht is het Belgische systeem het overwegen waard: de maatschap geen rechtspersoon, VOF en CV wel. In België is voor verkrijging van rechtspersoonlijkheid inschrijving in het handelsregister een vereiste. Een voordeel van die opzet is ook dat partijen de vrijheid hebben voor al dan niet rechtspersoonlijkheid te kiezen. Maar vergeet niet dat ieder voordeel zijn nadeel heeft.

(Ondernemingsrecht 2019/104)

Vino Timmerman

 

[1] Zie Simon Garfield, In miniature, how small things illuminate the world, p. 1 (2018)