Druk of vacuüm? Externe accountant voor Lavide gezocht

In april van dit jaar liet het beursgenoteerde Lavide Holding N.V. (Lavide) – afgeleid van het Franse woord voor “vacuüm”: een luchtledige ruimte, een ruimte zonder materie of druk – weten dat zij niet in staat was de (gecontroleerde) jaarlijkse financiële verslaggeving binnen de wettelijke termijn van vier maanden na afloop van het boekjaar algemeen verkrijgbaar te stellen. (Zie de persberichten van Lavide van 21 april 2018, te raadplegen via www.afm.nl. Vgl. art. 5:25c Wft.) De aan Grant Thornton (GT) verbonden externe accountant was het niet gelukt de wettelijke controle van de jaarrekening tijdig af te ronden. Aan de vooravond van de algemene vergadering van Lavide, waar onder meer de vaststelling van de (uiteindelijk alsnog gepubliceerde) jaarrekening over 2017 en de aanwijzing van GT als accountantsorganisatie belast met de wettelijke controle van de jaarrekening over 2018 op de agenda stonden, liet GT als beoogde accountant weten de wettelijke controle toch niet te kunnen uitvoeren. Lavide moest op zoek gaan naar een andere externe accountant.
Lavide maakte begin september bekend dat haar zoektocht naar een nieuwe externe accountant tot niets heeft geleid. (Zie het persbericht van Lavide van 3 september 2018, te raadplegen via www.afm.nl.) Zij heeft – kennelijk vanwege een gebrek aan capaciteit bij accountantsorganisaties – geen externe accountant bereid gevonden haar jaarrekening over 2018 aan een wettelijke controle te doen onderwerpen. Lavide heeft laten weten met de AFM na te denken over een oplossing.
De verplichting die geldt voor rechtspersonen van bepaalde omvang, zoals Lavide, om de jaarrekening door een accountant te laten controleren, is in 1970 door de Nederlandse wetgever ingevoerd met de inwerkingtreding van de Wet op de jaarrekening van ondernemingen. (De controleplicht voor bepaalde rechtspersonen werd later met Richtlijn 78/660/EG – in 2013 vervangen door Richtlijn 2013/34/EU – ook door de Europese wetgever ingevoerd.) In de memorie van toelichting bij het voorstel van die wet staat:

“In hoofdstuk IV is geregeld dat de controle op de naleving der voorschriften omtrent de inhoud der jaarstukken in de eerste plaats berust bij hen, aan wie de jaarstukken krachtens de wet dienen te worden aangeboden, d.w.z. bij de aandeelhouders, (…) alsmede bij de commissarissen, zo die er zijn. In de kleine en middelgrote besloten ondernemingen zal dat in vele gevallen ook wel voldoende zijn, omdat de kapitaalverschaffers daar nog genoeg met het bedrijf plegen mee te leven en de onderneming ook overzichtelijk genoeg is, om te kunnen controleren, of de voorschriften zijn nagekomen. Daarnaast zal de algemene vergadering van aandeelhouders in deze gevallen, zo zij hieraan behoefte gevoelt, gebruik kunnen maken van het haar in artikel 41a W.v.K. gegeven recht, en accountant te benoemen die aan haar verslag uitbrengt.” (Kamerstukken II 1967/68, 9595, 3, p. 8.)

Voor bepaalde vennootschappen, zoals de zogenoemde open NV’s, waaronder beursvennootschappen, kon de controle van de jaarrekening volgens de wetgever niet alleen aan aandeelhouders worden overgelaten:

“Dit recht is moeilijker te effectueren bij de zogenaamde open vennootschappen en de grote besloten n.v.’s. Hoewel de financiële pers met name ten aanzien van de zogenaamde open n.v.’s een rol van betekenis speelt, is de structuur van deze ondernemingen veelal te gecompliceerd geworden om na te gaan of aan de voorschriften omtrent de jaarverslaggeving is voldaan. Ook zijn de aandelen dikwijls te zeer gespreid om van de zijde der aandeelhouders de benoeming van een accountant te kunnen bewerkstelligen. Vandaar dan ook dat de wet deze ondernemingen verplicht tot aanstelling van een registeraccountant die bij zijn controle tevens zal moeten nagaan of aan de voorschriften van de Wet op de jaarrekening van ondernemingen is voldaan. (…) Onder de aandeelhouders van deze vennootschappen bevinden zich niet zelden groepen met minderheidsbelangen. Uit een oogpunt van bescherming van zulke groepen is verplichte accountantscontrole – die voor bedrijven van deze omvang financieel ook niet bezwaarlijk zal zijn – redelijk.” (Kamerstukken II 1967/68, 9595, 3, p. 8.)

Lavide lijkt te kwalificeren als klassieke open NV als destijds door de wetgever omschreven. Zo haalt Lavide met regelmaat de (financiële) pers, hoewel daarin vooralsnog weinig aandacht lijkt te worden besteed aan eventuele verslaggevingsperikelen. (Zie o.a. Het Financieele Dagblad (FD) 23 juli 2018 (‘Lavide en Gastvrij rollen ruziënd over straat na ‘onregelmatigheden’’).) Daarnaast beschikt Lavide over twee aandeelhouders met overwegende zeggenschap in de vennootschap, waarvan er één tot voor kort het eenhoofdige bestuur van de vennootschap vormde. Ten slotte kent Lavide diverse minderheidsaandeelhouders, die aanspraak zouden moeten kunnen maken op de ‘bescherming’ die uitgaat van een verplichte controle van de jaarrekening. (Zie het AFM-register ‘Substantiële deelnemingen en bruto shortposities’. Zie voorts FD 8 oktober 2018 (‘Belegger centenfonds heeft strohalm nodig’).) Kortom, Lavide geldt als het prototype vennootschap waarvoor de verplichte controle van de jaarrekening in het leven lijkt te zijn geroepen.
Omdat Lavide – een in Nederland gevestigde rechtspersoon waarvan aandelen zijn toegelaten tot de handel op de gereglementeerde markt van Euronext Amsterdam – kwalificeert als een organisatie van openbaar belang (oob) als bedoeld in de Wet toezicht accountantsorganisaties, is de spoeling aan de aanbodzijde van de markt van wettelijke controles betrekkelijk dun. Op dit moment zijn slechts negen accountantsorganisaties, waaronder de zogenoemde Big Four, bevoegd wettelijke controles bij oob’s te verrichten. Geen van deze accountantsorganisaties is echter bereid gebleken de controle van de jaarrekening van Lavide op zich te nemen. Daarbij heeft mogelijk een rol gespeeld dat GT bij de jaarrekening van Lavide over 2017 een verklaring van oordeelonthouding heeft afgegeven. (Zie tevens het standpunt van de beroepsorganisatie van 8 oktober 2018 (‘Organisaties zonder accountant: NBA houdt vast aan kwaliteitseisen’), te raadplegen via www.nba.nl.)
Lavide bevindt zich daarmee in een lastige situatie: zij moet haar jaarrekening verplicht door een externe accountant laten controleren, maar daartoe lijkt geen accountantsorganisatie bereid. Naast het gebrek aan capaciteit en eventuele vaktechnische bezwaren, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat het geïntensiveerde toezicht van de AFM en de toegenomen wet- en regelgeving voor (oob-)accountantsorganisaties een rol spelen bij het gebrek aan bereidheid onder accountantsorganisaties om de jaarrekening van Lavide aan een wettelijke controle te onderwerpen. Bovendien heeft de verplichte roulatie van accountantsorganisaties bij oob’s geleid tot extra druk aan de aanbodzijde van de markt voor wettelijke controles. (Art. 17 Verordening (EU) nr. 537/2014.) Die druk zal naar verwachting nog verder toenemen met de voorgenomen aanwijzing van bepaalde nieuwe categorieën instellingen als oob, waarmee we circa honderdvijftig nieuwe (te controleren jaarrekeningen van) oob’s mogen verwelkomen. De leegte van Lavide is inmiddels gevuld met de activiteiten van een gastouderbureau. (Zie FD 25 juli 2017 (‘Lege beurshuls Lavide gevuld met gastouderbureau Gastvrij Nederland’). Zie overigens FD 19 oktober 2018 (‘Centenfonds Lavide verkoopt gastouderbureau aan eigen websitebouwer’), waaruit blijkt dat Lavide het gastouderbureau alweer van de hand heeft gedaan.) Dat zou een reden kunnen zijn bij statutenwijziging de naam van de vennootschap te doen veranderen. Ook de – voorlopig – uitzichtloze zoektocht naar een externe accountant, die leidt tot meer druk op de ketel dan bij een vacuüm gebruikelijk is, geeft daartoe aanleiding.

(Ondernemingsrecht 2018/110)

Lars in ’t Veld