Mr. J.G.C.M. Galle & mr. M.J. Giltjes / Governance en diversiteit pensioenfondsen anno 2019: looking back to move forward
In het kader van de jaarlijkse rapportage van de Monitoringcommissie Code Pensioenfondsen is door ons de naleving van de Code Pensioenfondsen 2013 over boekjaar 2017 onderzocht. In dit artikel gaan wij kort in op de belangrijkste resultaten en op de wijzigingen in de nieuwe Code Pensioenfondsen 2018. Wij staan bovenal stil bij de versterkte rol van het intern toezicht, de diversiteit binnen de pensioenfondsorganen en het verantwoorden van de keuze voor de wijze van pensioenuitvoering. Onze resultaten ten aanzien van boekjaar 2017 zijn positief. Wat betreft de naleving van de Code 2018 verwachten wij geen grote verschillen. De Code 2018 is bondiger en meer thematisch weergegeven, maar de moeilijk na te leven normen blijven hetzelfde. Een opvallende toevoeging in de Code 2018 is de oproep aan het intern toezicht om de Code meer bij de uitoefening van zijn taak te betrekken en (afzonderlijk van het bestuur) te rapporteren over de naleving van de Code. Wat betreft het hebben van een eigen diversiteitsbeleid en ook daadwerkelijk divers samengestelde organen valt nog veel winst te behalen. Als gevolg van de Code 2018 hopen wij op een verbetering in de transparantie over de motivatie van de gemaakte benoemingskeuzes en het diversiteitsbeleid, maar verwachten geen substantiële stijging in het aantal benoemingen van vrouwen en jongeren. Voorts gaan wij nader in op de vaak in bestuursverslagen geconstateerde afwezigheid van de motivering voor een bepaalde wijze van uitvoering of uitvoeringspartner. Hiermee samenhangend bespreken wij ook de voor de deelnemers van het fonds relevante informatie betreffende de vermogensbeheerskosten en het beloningsbeleid van de vermogensbeheerder. Looking back concluderen wij anno 2019 dat op het gebied van de governance en diversiteit binnen de pensioensector zeker stappen zijn gemaakt. To move forward zijn meer transparantie (voor het intern toezicht en over de uitvoeringsorganisatie) en daadwerkelijke verbeteringen in diversiteit(sdoelstellingen) vereist.
(Ondernemingsrecht 2019/133)
(Annika Galle is als universitair docent werkzaam bij de sectie Ondernemingsrecht en Financieel recht van Erasmus School of Law en Academic Director van het International Center for Financial law & Governance. Mathijs Giltjes is als promovendus bij Erasmus Graduate School of Law werkzaam bij de sectie Ondernemingsrecht en Financieel recht van Erasmus School of Law en als fellow verbonden aan het International Center for Financial law & Governance.)

Mr. K. Frielink, mr. drs. M. van Eersel & mr. dr. M.T. van der Wulp / De Wet toezicht trustkantoren 2018. Over een voortgaande strijd om beheersing van integriteitsrisico’s
Per 1 januari 2019 gelden nieuwe eisen voor trustkantoren ingevolge de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Deze eisen beogen de integriteit en professionaliteit van de trustkantoren te versterken om op die manier de integriteitsrisico’s in dit deel van de financiële sector beter te beheersen. Hierdoor moeten witwassen, financieren van terrorisme en andere ongewenste activiteiten in de financiële sector effectiever worden tegengegaan. De belangrijkste vernieuwingen zijn gelegen in:
(i) Aanscherping van het te verrichten cliëntenonderzoek waarbij sommige zaken zoveel mogelijk met zekerheid (inspanningsverplichting) en alle andere zaken met zekerheid (resultaatsverplichting) moeten worden vastgesteld.
(ii) Uitbreiding van de normen voor integere bedrijfsvoering en introductie van normen voor beheerste bedrijfsvoering. Deze normen zijn uitgewerkt in het Besluit toezicht trustkantoren 2018, onder meer door introductie van een bijzondere zorgplicht van het bestuur van het trustkantoor.
(iii) Beperking van de mogelijke rechtsvorm van het trustkantoor tot de NV, BV of SE (Europese naamloze vennootschap) en de verplichting tot het hebben van minimaal twee dagelijks beleidsbepalers.
(iv) Uitwerking van de inhoud en positionering van de compliance- en auditfunctie.
(v) Bevordering van de onafhankelijkheid van de beoordeling van cliënten door een verbod op het combineren van de verlening van trustdiensten en fiscale advisering. (vi) Uitbreiding van het handhavingsinstrumentarium, waaronder door invoering van een beroepsverbod voor beleidsbepalers, verhoging van boetebedragen en uitbreiding van de bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing.
(vii) Aansluiting van de bevoegdheden tot publicatie van sancties bij het publicatieregime onder de Wet op het financieel toezicht.
De praktijk zal uitwijzen wat de meerwaarde is van de nieuwe regels ten opzichte van die van de Wtt (oud). Vooralsnog lijkt de Wtt 2018 een geval van signaalwetgeving, met de strekking dat het de wetgever meer dan ooit ernst is met de trustkantoren in Nederland. Naleving van de nieuwe regels zal hoe dan ook van de trustkantoren veel inspanningen en investeringen vergen.
(Ondernemingsrecht 2019/134)
(Karel Frielink is advocaat te Curaçao. Michiel van Eersel is advocaat te Amsterdam. Melis van der Wulp is advocaat te Rotterdam.)

Mr. F. Heideman & prof. dr. I.J.J. Burgers / Herziening van de rulingpraktijk en beroepsaansprakelijkheid
In internationale situaties wordt door de Belastingdienst zekerheid vooraf verstrekt conform het rulingbeleid. Met het in werking treden van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter per 01-07-2019, is het rulingbeleid aangepast. Zulks naar aanleiding van de invoering van de internationale uitwisseling van rulings, aanbevelingen van de EU-Gedragscodegroep voor business taxation, de bestrijding van brievenbusmaatschappijen en de kritiek in de Tweede Kamer op de ‘intransparantie’ van de rulingpraktijk. De rulingprocedure is in het nieuwe besluit geüniformeerd, er is een ‘economische nexus toets’ ingevoerd en er is een ‘belastingbesparingstoets’ ingevoerd. Daarnaast worden samenvattingen van afgegeven rulings met een internationaal karakter gepubliceerd op de website van de Belastingdienst om te voorzien in transparantie van de rulingpraktijk. Op basis van het nieuwe rulingbeleid kan in minder gevallen dan voorheen zekerheid vooraf worden gegeven in internationale situaties. Tegelijkertijd kan het verkrijgen van schriftelijke zekerheid van de inspecteur, zoals zekerheid vooraf, in bepaalde gevallen onderdeel zijn van de zorgplicht van belastingadviseurs in het kader van artikel 7:401 BW. Doordat in internationale situaties gelet op de ‘economische nexus toets’ en de ‘belastingbesparingstoets’ door de Belastingdienst niet meer in alle gevallen zekerheid vooraf kan worden gegeven, is het aansprakelijkheidsrisico voor de adviseur groter geworden.
(Ondernemingsrecht 2019/135)
(Freek Heideman is promovendus Vakgroep Belastingrecht RU Groningen. Irene Burgers is hoogleraar Internationaal en Europees Belastingrecht, Faculteit Rechtsgeleerdheid en Hoogleraar Economics of Taxation, Faculteit Economie en Bedrijfskunde RU Groningen.)