Prof. mr. H.M. Vletter-van Dort & mr. T.A. Keijzer / Herziening Britse Corporate Governance Code: stof tot nadenken
De UK Governance Code maakt onderdeel uit van de Listing Rules die gelden voor in het Verenigd Koninkrijk genoteerde kapitaalvennootschappen uit het Premium segment. Op 5 december 2017 is de Financial Reporting Council een consultatieronde gestart om deze Code, die voor het laatst in 2016 is herzien, te actualiseren. Voorafgaand aan de formele consultatieprocedure van het Herzieningsvoorstel is een groot aantal rapporten verschenen die allen in meerdere of mindere mate hun weerslag hebben gevonden in de gedane voorstellen. Belangrijk is dat wordt voorgesteld de structuur van de UK Governance Code aanzienlijk te wijzigen; het Herzieningsvoorstel wordt dan ook nadrukkelijk gepresenteerd als sharper en shorter. Interessant is dat het Herzieningsvoorstel op allerlei manieren diversiteit probeert te vergroten. Zo wordt met name aandacht gevraagd voor etniciteit en dient de Nomination Committee haar blik tevens te richten op de lagen onder het statutaire bestuur en (indien aanwezig) de Executive Committee. Ook de executive search community heeft zich expliciet verbonden om diversiteit in boards van ondernemingen te vergroten door het opstellen van een vrijwillige code. Voorts introduceert het Herzieningsvoorstel een hard criterium ten aanzien van de onafhankelijkheid van een non-executive director: deze wordt geacht niet langer onafhankelijk te zijn als hij/zij langer dan negen jaar in functie is. Wat betreft de verhouding tot de algemene vergadering is nieuw opgenomen dat wanneer 20% van de uitgebrachte stemmen tegen is, de vennootschap bij bekendmaking van de uitslag dient aan te kondigen op welke wijze met de tegenstemmers in overleg wordt getreden. Dat is om verschillende redenen opvallend, onder andere omdat aldus enigszins afstand wordt genomen van besluitvorming bij meerderheid. Tot slot introduceert het Herzieningsvoorstel een verplichting voor de board om een methode vast te stellen om de views of the workforce (in algemene zin) te verzamelen. Het biedt daartoe drie keuzemogelijkheden. Deze vanuit Engels perspectief opvallende stap vloeit voort uit ontwikkelingen in de Engelse politiek. Het zal interessant zijn om te zien of en zo ja, wat met dit voorstel in de aangepaste UK Governance Code wordt gedaan. Aangekondigd is dat later in 2018 de Stewardshipcode eveneens zal worden herzien. De huidige ervaringen zijn wisselend, en uit de consultatievragen kan worden opgemaakt dat momenteel een duidelijke visie ontbreekt over wat de functie van de Stewardshipcode zou moeten zijn. De FRC is nu aan zet om de UK Governance Code 2018 en UK Stewardship Code definitief vorm te geven.
(Ondernemingsrecht 2018/56)
(Hélène Vletter-van Dort is hoogleraar Financieel Recht & Governance aan de ESL (Erasmus School of Law), commissaris en voormalig lid van de Monitoring Commissie Corporate Governance (Commissie-van Manen). Titiaan Keijzer is promovendus aan de ESL. De auteurs danken Paul Davies, Allen & Overy, Professor of Corporate Law Emeritus aan de Universiteit van Oxford, voor zijn bereidheid de voorgestelde wijzigingen nader in te kleuren.)

Mr. A.J.A.D. van den Hurk / Het wetsvoorstel herstel en afwikkeling van verzekeraars
In deze bijdrage bespreekt de auteur het op 28 november 2017 gepubliceerde wetsvoorstel inzake de Wet herstel en afwikkeling van verzekeraars. Het artikel vormt een vervolg op het eerder in dit tijdschrift verschenen artikel over het consultatiedocument voor dit wetsvoorstel. De auteur behandelt in deze bijdrage onder meer de hoofdlijnen van het voorstel, de Europese en internationale context waarbinnen het voorstel kan worden geplaatst en de nieuwe instrumenten die door middel van het wetsvoorstel voor het herstel en de afwikkeling van verzekeraars worden geïntroduceerd. Naast de nieuwe overdrachtsinstrumenten, te weten: overgang van onderneming, overdracht aan een overbruggingsinstelling, en afsplitsing van activa en passiva, biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid tot het toepassen van bail-in. Dit heeft echter wel een ander karakter en doel dan de bail-in tool bij banken, op grond van de BRRD. In de bijdrage wordt ook stilgestaan bij enkele punten, die in het advies van de Raad van State naar voren komen. Met name de verhouding tot het Europese recht is daarbij belangrijk, enerzijds de verhouding tot de vennootschapsrichtlijn, (Richtlijn 2017/1132/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht, PbEU, 30 juni 2017, L 169, 146. In het Advies van de Afdeling Advisering van de Raad van de State en in het Nader Rapport (Kamerstukken II 2017/18, 34842, 4) wordt overigens nog verwezen naar Richtlijn 2012/30/EU, per 19 juli 2017 ingetrokken door Richtlijn 2017/1132/EU.) alsmede de verhouding tot het eigendomsrecht, zoals beschermd door art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Een belangrijk onderdeel van het voorstel is de verplichting voor verzekeraars en verzekeringsgroepen om herstelplannen op te stellen, en voor DNB om afwikkelingsplannen op te stellen voor verzekeraars en verzekeringsgroepen. Bijzondere aandacht verdient daarbij de bevoegdheid van DNB om ex ante ondernemingen te verplichten om belemmeringen bij een mogelijke afwikkeling weg te nemen. Ook de samenhang met de Solvency II Richtlijn, de verhouding tot de vennootschapsrichtlijn alsmede in bepaalde gevallen de samenloop met de BRRD, komt aan bod.
(Ondernemingsrecht 2018/57)
(Arthur van den Hurk is senior regulatory counsel bij Aegon N.V. en is als fellow verbonden aan het Instituut voor Financieel Recht, onderdeel van het Onderzoekscentrum Onderneming & Recht, van de Radboud Universiteit te Nijmegen.)

Mr. A. Holtland & mr. N. Orlić / Verzoeken om informatie: kiezen kan doen verliezen
Het feit dat het Nederlandse rechtssysteem geen discovery kent, betekent niet dat er geen mogelijkheid bestaat om informatie te verkrijgen waarover je zelf niet beschikt. In deze bijdrage gaan wij in op de verschillende wijzen waarop informatie kan worden verkregen. De meest bekende optie is wellicht een verzoek op grond van artikel 843a Rv op basis waarvan inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden kan worden gevorderd bij de wederpartij of een derde, indien de verzoeker daartoe een rechtmatig belang heeft.
Een beduidend eenvoudigere manier om informatie te verkrijgen is een inzageverzoek op grond van artikel 15 van de AVG. Uit hoofde hiervan kan de natuurlijk persoon wiens persoonsgegevens worden verwerkt, bij de verwerkingsverantwoordelijke inzage in zijn persoonsgegevens verzoeken. Het enige criterium is dat sprake moet zijn (van het verwerken) van persoonsgegevens van de betrokkene. Het grootste nadeel van de regeling is dat (nog) niet zeker is of naar aanleiding van dit verzoek kopieën van de betreffende documenten moeten worden verstrekt of dat kan worden volstaan met het verstrekken van slechts een overzicht van de persoonsgegevens die de verwerkingsverantwoordelijke van de verzoeker verwerkt.
Daarnaast is er nog het Wob-verzoek. De reikwijdte van het Wob-verzoek is beperkt, omdat het alleen op bestuurlijke aangelegenheden ziet en alleen kan worden ingediend bij bestuursorganen.
De hiervoor genoemde mogelijkheden tot het verkrijgen van informatie sluiten elkaar niet uit, maar kunnen naast elkaar worden gebruikt. Met een bétje geluk heeft een (natuurlijk) persoon drie mogelijkheden om informatie te verkrijgen van een organisatie. Ondanks het feit dat een fishing expedition of discovery in Nederland (nog) geen plaats heeft, zijn er veel manieren om beschikking over bepaalde (delen van) informatie te verkrijgen.
(Ondernemingsrecht 2018/58)
(Anke Holtland en Nina Orlić zijn advocaat te Rotterdam. Ten tijde van het schrijven van dit artikel waren de AVG en de Uitvoeringswet AVG (nog) niet in werking getreden. De AVG en de Uitvoeringswet AVG zullen op 25 mei 2018 in werking treden.)