Drs. R. Abma / Kroniek van het seizoen van jaarlijkse algemene vergaderingen 2018
Deze bijdrage bevat de belangrijkste bevindingen van de jaarlijkse algemene vergaderingen 2018. Uit dit overzicht blijkt dat de aandeelhouders steeds kritischer staan tegenover voorstellen tot wijziging van het bezoldigingsbeleid. Steeds meer aandeelhouders beoordelen een nieuw bezoldigingsbeleid niet meer alleen vanuit governanceperspectief, maar ook vanuit sociaal-maatschappelijk perspectief. De voorstellen tot machtiging van het bestuur om meer dan 10% nieuwe aandelen uit te geven waarbij tegelijkertijd het voorkeursrecht voor bestaande aandeelhouders kan worden beperkt of uitgesloten, leidden net als voorgaande jaren dit jaar tot de meeste tegenstemmen. Nu stemadviesbureau ISS heeft besloten om zijn stemgedragrichtlijn ten aanzien van dergelijke voorstellen vanaf februari 2019 aan te scherpen, valt te verwachten dat het aantal tegenstemmen volgend jaar verder zal toenemen als dergelijke emissiemachtigingen zonder behoud van voorkeursrecht ongewijzigd op de agenda’s blijven worden geplaatst. De beschermingsconstructie van Koninklijke Ahold Delhaize blijft in ieder geval de komende vijftien jaar effectief; de helpende hand van de overheid via de voorgenomen invoering van een wettelijke bedenktijd blijkt voor deze vennootschap niet nodig te zijn. Unilever schaft zelf haar resterende beschermingsconstructie af. Een mogelijke wettelijke bedenktijd zal deze vennootschap – gelet op de toezegging om de komende jaren door te gaan met jaarlijkse herbenoeming van alle bestuurders door de algemene vergadering – waarschijnlijk weinig soelaas bieden in het geval van eventueel toekomstig aandeelhoudersactivisme.
(Ondernemingsrecht 2018/111)
(Rients Abma is directeur van Eumedion. Dit artikel is een bewerking van het document ‘Evaluation of the 2018 AGM season’, gepubliceerd op 6 juli 2018 door Eumedion en te downloaden via www.eumedion.nl. In dit artikel zijn alle AV’s betrokken van vennootschappen met statutaire zetel in Nederland wier aandelen worden verhandeld aan een effectenbeurs die binnen dan wel buiten de Europese Unie (EU) is gelegen en die hun AV’s hielden tussen 1 januari en 20 augustus 2018.)

Mr. I.C.P. Groenland / Related party transactions. Over implementatie van EU regels en Nederlandse corporate governance
De vernieuwde EU Aandeelhoudersrichtlijn verplicht lidstaten tot het voorzien in procedurevoorschriften voor beursgenoteerde vennootschappen met betrekking tot ‘materiële’ Related Party Transactions. De procedures dienen te voorzien in adequate waarborgen tegen het onttrekken van waarde en vermogen aan beursvennootschappen door verbonden partijen. Naast de kernbepalingen van de richtlijn hieromtrent wordt het in consultatie gebrachte voorontwerp van de implementatiewet besproken. De implementatiewetgeving is te meer van belang omdat de richtlijn veel opties biedt aan de lidstaten. De kernonderdelen van het voorontwerp betreffen de definitie van materiële transacties (in artikel 167 Voorontwerp benoemt als ‘transacties van betekenis’), de openbaarmakingsverplichting (artikel 168 Voorontwerp) en de besluitvorming door de bevoegde organen (artikel 169 Voorontwerp). Wat betreft de definitie van related party transactions  wordt betoogd dat meer aansluiting kan worden gezocht bij de Verordening Marktmisbruik. Met betrekking tot de openbaarmakingsverplichtingen wordt met name ingegaan op het tijdstip van openbaarmaking dat uiterlijk het moment van aangaan van de transactie is. De bevoegdheid om te besluiten over related party transactions wordt primair gelaten aan het bestuur en raad van commissarissen, in lijn met de geldende verdeling van bevoegdheden in het Nederlandse vennootschapsrecht. Het voorontwerp bevat geen uitbreiding van de bevoegdheden van de aandeelhoudersvergadering en om die reden geen regel dat bijvoorbeeld een aandeelhouder zich moet onthouden van stemming over een transactie die hem aangaat (‘abstain rule’). Betoogd wordt echter dat dat te kort door de bocht is, omdat onder specifieke omstandigheden wel degelijk de algemene vergadering beslissingsbevoegd kan zijn. In een dergelijke situatie zou een abstain rule voor betrokken aandeelhouders wel aangewezen zijn.
(Ondernemingsrecht 2018/112)
(Irene Groenland is als docent-onderzoeker verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. De tekst van deze publicatie werd afgesloten ruim voordat op 18 oktober 2018 het wetsvoorstel 35 058 bij de Tweede Kamer werd ingediend. Het wetsvoorstel bevat op sommige onderdelen wijzigingen in lijn met hetgeen in deze publicatie wordt betoogd, maar op andere punten (nog) niet.)

Mr. P.H.M. Broere / De begroting van de kosten van een enquête, geen onvoorwaardelijke liefde
Onlangs gelastte de OK een enquête naar Eneco en (het voormalig) SNS. In beide beschikkingen wordt het onderzoeksbudget niet direct vastgesteld, maar de nog te benoemen onderzoekers gevraagd een begroting van de kosten van de enquête op te stellen. Dat heeft onmiskenbaar voordelen. De begroting kan bijdragen aan een realistischer beeld van de kosten van de enquête en latere verhogingen van het onderzoeksbudget lijken minder waarschijnlijk. De OK geeft hiermee ook invulling aan haar taak erop toe te zien dat de kosten van het onderzoek binnen redelijke grenzen blijven. De rechtspersoon die de kosten van de enquête moet voldoen kan de financiële implicaties bovendien eerder, beter overzien en de daarvoor benodigde middelen reserveren en de voortgang van de enquêteprocedure loopt daarmee minder gevaar. Betrokkenen worden bovendien eerder in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de kosten van de enquête en bijsturing door de OK kan nog plaatsvinden voordat een groot deel van de onderzoekskosten reeds gemaakt is. Bij de gebruikmaking van de begroting in de enquêteprocedure zijn echter ook enige kanttekeningen te plaatsen. In deze bijdrage doet de auteur enkele suggesties voor een goed gebruik van de begroting in de enquête. Voorgesteld worden de onderzoeker bij het gelasten van de enquête een budget ter beschikking te stellen voor het opmaken van een begroting en een driemaandelijkse verantwoordingsplicht voor de onderzoeker. De OK doet er volgens de auteur bovendien goed aan een begroting voor te schrijven in alle enquêteprocedures, onafhankelijk van de geschatte omvang van de enquête. Daarbij hoeft de OK niet iedere onderzoeker eenzelfde termijn te gunnen voor het opstellen van een begroting: de OK kan differentiëren naar de ervaring van de onderzoeker en de geschatte omvang en complexiteit van de enquête.
(Ondernemingsrecht 2018/113)
(Pjotr Broere is als promovendus en docent verbonden aan het Van der Heijden Instituut, OO&R, Radboud Universiteit Nijmegen.)